Uitspraak
17.2957 WIA
24 maart 2017, 15/685 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
18 maart 2008 vastgesteld op minder dan 35%.
30 december 2013 is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Raad van
20 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4272).
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft zich op 1 september 2005 ziek gemeld en is na beoordeling onder de Wet WIA met ingang van 29 augustus 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV heeft op 5 mei 2008 vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2008 minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering en later een WGA-vervolguitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en vorderde een IVA-uitkering op grond van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, waarbij hij stelde dat zijn motorische klachten en een neurinoom onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de conclusies van de verzekeringsarts goed gemotiveerd.
In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, rekening heeft gehouden met beperkingen in lopen en staan, en dat de klachten van appellant niet zijn onderschat. De functies zijn geselecteerd op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst, waarin beperkingen zijn opgenomen.
Omdat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is per 18 maart 2008, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering zoals gesteld in artikel 4 van Pro de Wet WIA. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is per 18 maart 2008 en geen recht heeft op een IVA-uitkering.