ECLI:NL:CRVB:2017:4022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging inschrijving aspirant-politie wegens ernstige examenfraude bevestigd
Appellant, aspirant bij de politie en student aan de Politieacademie, werd beticht van ernstige examenfraude door het willens en wetens verzinnen van een enquête en plagiaat in een portfolio-opdracht. Na een disciplinaire procedure en een voorwaardelijke straf wegens plichtsverzuim, besloot de directeur van de Politieacademie de inschrijving van appellant te beëindigen.
De rechtbank oordeelde dat de fraude opzettelijk was en dat de directeur bevoegd was tot beëindiging van de opleiding, ondanks het ontbreken van voorafgaand overleg met het korps zoals voorgeschreven in de Onderwijs- en Examenregeling (OER). Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gedrag onnadenkend en naïef was en dat het besluit disproportioneel was, evenals dat het ontbreken van overleg een rechtsgevolg moest hebben.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de kwalificatie van ernstige examenfraude en oordeelde dat appellant bewust handelde en meerdere keren de waarheid verzweeg. De belangenafweging door de directeur werd als redelijk en proportioneel beoordeeld, waarbij integriteit en betrouwbaarheid van politieambtenaren zwaar wogen. Het ontbreken van overleg met het korps deed niet af aan de beslissingsbevoegdheid van de directeur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de inschrijving bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de inschrijving van appellant wegens ernstige examenfraude.