ECLI:NL:CRVB:2017:4016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na toename arbeidsongeschiktheid
Appellant had een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na melding van een toename van arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2013 stelde het UWV vast dat de uitkering herzien kon worden vanaf 31 maart 2008 naar 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, ook al was een basisarts aanwezig naast de verzekeringsarts.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij sinds 1 april 2006 volledig arbeidsongeschikt was door een stressfractuur en depressieve klachten, en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, onder meer door het ontbreken van een persoonlijk gesprek met de arbeidsdeskundige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het ontbreken van een persoonlijk arbeidsdeskundig onderhoud niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit, mede omdat appellant de mogelijkheid tot bezwaar had.
De Raad stelde vast dat de medische beoordeling gebaseerd was op relevante informatie van behandelend specialisten en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) adequaat was opgesteld. De door appellant ingebrachte rapporten en informatie zagen niet op de datum in geding en gaven geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.