ECLI:NL:CRVB:2017:3929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant kreeg aanvankelijk een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA, met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Na een herbeoordeling trok het UWV deze uitkering in omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit op basis van een zorgvuldig medisch onderzoek en een onderbouwde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen door rug-, schouder- en psychische klachten werden onderschat, mede op basis van een nieuw rapport van een revalidatiearts. Hij verzocht ook om benoeming van een psychiater. Het UWV handhaafde het standpunt dat het eerdere oordeel correct was.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellant een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds gemotiveerd waren besproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had overtuigend gemotiveerd waarom de nieuwe medische rapporten geen aanleiding gaven tot bijstelling van het eerdere oordeel. De Raad vond geen reden om het eerdere oordeel te betwijfelen en zag geen noodzaak voor aanvullend psychiatrisch onderzoek.
De Raad bevestigde dat de voorbeeldfuncties die appellant kon vervullen medisch passend waren en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WIA-uitkering wordt bevestigd.