ECLI:NL:CRVB:2017:3893
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke vermogenspositie na verkoop onroerend goed in Turkije
Verzoekster ontving sinds 2005 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand in per 7 februari 2014 en vorderde terugbetaling wegens het bezit van een woning in Turkije waarvan verzoekster voor de helft eigenaar was. Na overdracht van haar eigendomsaandeel aan haar zoon in augustus 2016 diende verzoekster opnieuw een bijstandsaanvraag in, die werd afgewezen omdat geen sprake was van gewijzigde omstandigheden.
De Raad beoordeelde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet over het vermogen kon beschikken of dat de overdracht om niet had plaatsgevonden. Er was een discrepantie tussen haar stelling dat de overdracht zonder tegenprestatie was en de officiële akte waarin een koopsom werd vermeld. Hierdoor bleef haar vermogenspositie onduidelijk en kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de verkoopopbrengst van het eigendomsaandeel.