ECLI:NL:CRVB:2017:3869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget wegens niet tijdige verantwoording en overtreding zorgverlenersnorm
Appellante, geboren in 1997, had een indicatie voor AWBZ-zorg en ontving voor 2013 een pgb van €70.161,22. Het Zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 oktober 2013 vanwege het niet tijdig verantwoorden van het pgb over de eerste helft van 2013. Vervolgens weigerde het Zorgkantoor vanaf 20 januari 2014 een nieuw pgb te verlenen op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de uitleg van het artikel zou leiden tot een levenslange uitsluiting van een pgb, wat niet de bedoeling van de wetgever kon zijn. Ook stelde zij dat de schending alleen bestond uit het niet tijdig indienen van de verantwoording.
De Raad oordeelde dat niet alleen de niet tijdige verantwoording speelde, maar ook dat een zorgverlener meer dan 40 uur per week werkte, wat in strijd is met artikel 2.6.9, eerste lid, onder i, van de Rsa. Vanwege het dwingendrechtelijke karakter van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, was het Zorgkantoor verplicht het pgb te weigeren. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, mede omdat appellante onvoldoende onderbouwde dat zorg in natura onmogelijk was en zij vanaf mei 2016 opnieuw een pgb ontving.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb vanwege niet tijdige verantwoording en overtreding van de zorgverlenersnorm.