ECLI:NL:CRVB:2017:3860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ontheffing arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende bewijs intensieve mantelzorg
Appellant verzocht om ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet vanwege de psychische ziekte van zijn echtgenote en haar behoefte aan intensieve zorg. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde dit verzoek impliciet omdat appellant geen objectief en verifieerbaar bewijs leverde dat sprake was van intensieve mantelzorg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat zijn situatie een dringende reden opleverde voor ontheffing. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en voerde aan dat het college voorbijging aan medische bezwaren van de huisarts en psychiater van zijn echtgenote en dat het GGD-advies niet aan hem was toegezonden.
De Raad oordeelde dat de bewijslast voor dringende redenen bij appellant ligt en dat hij niet slaagde in deze bewijslast. De Raad vond dat appellant niet objectief onderbouwde dat zijn zorgtaken noodzakelijk en daadwerkelijk zijn en dat er geen mogelijkheden zijn om deze taken uit te besteden. Het GGD-advies was bovendien pas na het besluit uitgebracht en speelde geen rol in de beslissing. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ontheffing van arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende bewijs van intensieve mantelzorg.