ECLI:NL:CRVB:2017:3809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2017
Publicatiedatum
2 november 2017
Zaaknummer
15-7948 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid

Appellant was werkzaam als allround timmerman en meldde zich op 8 december 2014 ziek met psychische klachten. Op 23 februari 2015 werd hij door een verzekeringsarts onderzocht en per 2 maart 2015 geschikt bevonden voor zijn laatst verrichte arbeid. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarop zijn ziekengeld per die datum te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie dat appellant per 2 maart 2015 geschikt was voor zijn werk kon dragen.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn fysieke en psychische klachten waren miskend en dat er ten onrechte geen beperkingen of urenbeperking waren vastgesteld. Hij overhandigde medische gegevens van diverse behandelaars. De Raad beoordeelde deze gegevens en concludeerde dat het eerdere medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat het dossier grondig was bestudeerd en dat de medische informatie geen aanleiding gaf het standpunt te wijzigen. De latere verslechtering van de gezondheidstoestand, waaronder een nieuwe ziekmelding in januari 2016, was niet relevant voor de beoordeling per 2 maart 2015.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam dat appellant per 2 maart 2015 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en dus geen recht meer had op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 2 maart 2015 geschikt was voor zijn arbeid en geen recht meer had op ziekengeld.

Uitspraak

15/7948 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2015, 15/2227 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Ben Ahmed, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.V. van Blitterswijk, kantoorgenoot van mr. Ben Ahmed. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
Het onderzoek is geschorst. Bij brief van 24 april 2017 heeft psychiater N. Kmetic een vraag van de Raad beantwoord. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder vervolgzitting uitspraak te doen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam als allround timmerman voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 15 juli 2013 beëindigd. Appellant heeft zich op 8 december 2014 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Op 23 februari 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 2 maart 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van timmerman. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 februari 2015 vastgesteld dat appellant per 2 maart 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een ongedateerd rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, opgesteld naar aanleiding van de hoorzitting op 23 maart 2015, ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest en kan dat onderzoek de getrokken conclusie, dat appellant per 2 maart 2015 geschikt was voor zijn eigen werk als timmerman, dragen. Voor zover appellant van mening is dat zijn psychische situatie kort voor augustus 2015 is verslechterd, volgt de rechtbank het standpunt van het Uwv dat deze verslechtering geen betrekking heeft op de datum in geding 2 maart 2015.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen zowel zijn fysieke als psychische klachten hebben miskend en de ernst van de klachten hebben onderschat. Het Uwv heeft ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor de eigen werkzaamheden van appellant en er is ten onrechte geen urenbeperking vastgesteld. Voorts heeft appellant medische gegevens overgelegd van zijn behandelend psychiater N. Kmetic, van orthopedisch chirurg drs. M.M. Campo, van zijn huisarts B. Sönmezer en van de reumatologen
dr. M.R. Kok en dr. P.J. Barendregt.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellant is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Op de in hoger beroep overgelegde informatie is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd in zijn rapporten van 14 februari 2017 en 10 mei 2017. De conclusie dat deze informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant op 2 maart 2015 te wijzigen wordt onderschreven. De omstandigheid dat appellant zich in januari 2016 opnieuw heeft ziek gemeld en ziekengeld heeft ontvangen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, is evenmin van invloed op de beoordeling per 2 maart 2015. Zoals valt af te leiden uit de brief van 24 april 2017 van psychiater Kmetic is appellant vanaf november 2014 in zijn praktijk behandeld maar met onvoldoende resultaat. Wegens een verslechtering van de toestand van appellant heeft Kmetic hem in de loop van 2016 verwezen naar Centrum 45 voor een intensievere behandelvorm van zijn PTSS-klachten.
5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) R.L. Rijnen
sg