Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Daarvan is in het geval van appellant sprake. Het betoog van appellant faalt derhalve.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1990 werkzaam bij het ministerie van OCW en werd in 2009 aangewezen als niet-werkvolger vanwege een reorganisatie. In 2013 werd hij door de minister aangewezen als verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat (VWNW-kandidaat) op grond van de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk. Appellant maakte bezwaar tegen deze aanwijzing, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij in eerste aanleg gedeeltelijk gelijk kreeg doordat het eerste besluit werd vernietigd wegens een bevoegdheidsgebrek.
De minister herstelde dit bevoegdheidsgebrek met een nieuw besluit, dat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep stond de vraag centraal of de aanwijzing als verplicht VWNW-kandidaat terecht was. De Raad oordeelde dat de minister niet verplicht was tot een inhoudelijke heroverweging bij het herstelbesluit en dat het bezwaar tegen het eerdere niet-werkvolger-besluit onvoldoende grond bood voor herziening.
De Raad verwierp ook de stelling van appellant dat het overgangsregime van het OCW-convenant hem beschermt tegen toepassing van het nieuwe sociaal beleid. De Raad stelde vast dat geen schriftelijke afspraken over beëindiging van het dienstverband waren gemaakt en dat een overgang naar het nieuwe beleid redelijk was. De aanwijzing als verplicht VWNW-kandidaat is gebaseerd op artikel 49r van het ARAR, dat van toepassing is bij opheffing van functies door reorganisatie.
De Raad concludeerde dat appellant terecht als verplicht VWNW-kandidaat is aangemerkt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aanwijzing van appellant als verplicht VWNW-kandidaat en wijst het hoger beroep af.