Uitspraak
OVERWEGINGEN
30 oktober 2015.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als opvoedadviseur, meldde zich ziek met psychische klachten en fibromyalgie en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij ondanks beperkingen ten minste 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen met geselecteerde functies.
In bezwaar voerde appellante aan dat haar beperkingen niet goed waren vastgesteld. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat zij op enkele punten meer beperkt was, met een urenbeperking tot 30 uur per week, maar dat zij nog steeds geschikt was voor functies waarmee 65% van haar inkomen verdiend kon worden. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onvoldoende gemotiveerde geschiktheid van functies, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep bracht appellante naar voren dat haar klachten werden onderschat, ondersteund door een brief van een GZ-psycholoog. De Raad oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig zijn opgesteld en dat de beperkingen juist waren ingeschat. De brief van de psycholoog bevatte geen nieuwe gegevens die tot een ander oordeel leiden.
De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.