Appellant ontvangt bijstand en is gestart met een participatieplaats van 32 uur per week. Ondanks een aanbod voor een baan met loonkostensubsidie heeft appellant geweigerd 32 uur per week te werken, wat leidde tot intrekking van het aanbod en een maatregel van bijstandverlaging door het college.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de verplichting tot het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid niet is nagekomen, zonder dat dringende redenen waren gesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er onduidelijkheid was over het aantal uren en dat bijzondere omstandigheden zoals zorg voor kinderen verwijtbaarheid wegnamen.
De Raad stelt vast dat de plaatsingsovereenkomst duidelijk 32 uur per week voorschrijft en dat appellant deze verplichting niet is nagekomen. De gedraging valt niet onder het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid, maar wel onder het niet volledig gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening. Dringende redenen voor afzien van de maatregel zijn niet aannemelijk gemaakt.
De motiveringsgebreken in het besluit worden gepasseerd omdat appellant niet is benadeeld. De Raad bevestigt het bestreden besluit en veroordeelt het college in de proceskosten.