ECLI:NL:CRVB:2017:3671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid college tot opleggen maatregel bij voortijdig verlaten vacaturesessie
Betrokkene 1 en zijn broer ontvangen bijstand en betrokkene 1 is onderworpen aan arbeidsverplichtingen volgens de Participatiewet. Betrokkene 1 werd uitgenodigd voor een vacaturesessie, onderdeel van een project gericht op arbeidsinschakeling, maar moest deze voortijdig verlaten op last van de workshopleiders. Het college legde daarop een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen voor een maand, omdat betrokkene 1 niet zou hebben meegewerkt aan de voorziening.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en onvoldoende afweging van de psychische omstandigheden van betrokkene 1. In hoger beroep stelde het college dat betrokkene 1 de verplichting had overtreden en dat de maatregel terecht was opgelegd. Betrokkenen voerden aan dat de vacaturesessie geen voorziening gericht op arbeidsinschakeling is en dat betrokkene 1 slechts vragen stelde over de gevolgen van werk op de bijstand, wat geen weigering tot medewerking is.
De Raad oordeelt dat de vacaturesessie wel degelijk een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is. Uit de feiten blijkt dat betrokkene 1 niet uit eigen beweging vertrok, maar door de matchmaker werd weggestuurd vanwege zijn standpunt over arbeidsinkomsten. Dit gedrag kan niet worden aangemerkt als het niet meewerken aan een voorziening. Het college heeft de gedraging niet aannemelijk gemaakt en was daarom niet bevoegd de maatregel op te leggen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor zover het besluit wordt herroepen. De Raad veroordeelt het college tot betaling van proceskosten aan betrokkenen.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wordt herroepen omdat onvoldoende is aangetoond dat betrokkene niet meewerkte aan de vacaturesessie.