Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:3470

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
16/6698 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 79 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over rechtsgevolgen uitnodiging gesprek en bezwaar niet-ontvankelijkheid

Appellant, een bijstandsgerechtigde op grond van de Participatiewet, werd door het dagelijks bestuur van Werksaam Westfriesland uitgenodigd voor een gesprek om arbeidsmogelijkheden te onderzoeken.

Appellant maakte bezwaar tegen deze uitnodiging, stellende dat deze een besluit bevatte in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of artikel 79 van Pro de Participatiewet (PW). Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief slechts een uitnodiging was zonder rechtsgevolgen.

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de uitnodiging geen besluit is en ook niet gelijkgesteld kan worden met een besluit onder artikel 79 PW Pro. Het verzoek tot vergoeding van schade werd eveneens afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door J.L. Boxum in aanwezigheid van griffier J. Tuit op 10 oktober 2017.

Uitkomst: De uitnodiging is geen besluit, bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

16.6698 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 september 2016, 15/1780 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Werksaam Westfriesland (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 oktober 2017
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 augustus 2017. Appellant is niet verschenen. Het dagelijks bestuur is, met bericht, evenmin verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij brief van 3 april 2015 heeft het dagelijks bestuur appellant uitgenodigd voor een gesprek op 15 april 2015 om 10.00 uur met het doel om kennis te maken en om onderzoek te doen naar de arbeidsmogelijkheden van appellant.
1.3.
Bij besluit van 9 april 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen de brief van 3 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de brief slechts een uitnodiging voor het gesprek bevat en geen voor bezwaar vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant bevat de brief wel een besluit, althans een voor bezwaar vatbare beslissing als bedoeld in artikel 79 van Pro de PW.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het dagelijks bestuur heeft zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat de brief van 3 april 2015 geen rechtsgevolgen heeft en dat de brief daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Met de uitnodiging wordt evenmin een handeling nagelaten die strekt ter uitvoering van een besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of een handeling verricht die afwijkt van dat besluit, zodat de brief ook niet met toepassing van artikel 79 van Pro de PW wordt gelijkgesteld met een besluit. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van appellant dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop dient het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade te worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2017.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J. Tuit

HD