ECLI:NL:CRVB:2017:3458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant vroeg bijstand aan op het adres van zijn broer, waarbij het college de aanvraag afwees omdat zij oordeelden dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad beoordeelde de feiten over de periode van 8 oktober 2015 tot 5 januari 2016. Uit de verklaring van appellant bleek dat hij ongeveer een half jaar feitelijk bij zijn broer verbleef, huur betaalde, de woning samen schoonmaakte, boodschappen deed, samen kookte en kleding waste. Dit wijst op meer dan incidentele zorg voor elkaar.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor het college om te concluderen dat sprake was van wederzijdse zorg en dus een gezamenlijke huishouding. Het beroep van appellant dat onvoldoende is doorgevraagd naar de frequentie van zorg werd verworpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.