ECLI:NL:CRVB:2017:3450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant diende op 23 april 2015 een aanvraag om bijstand in en gaf als woonadres het adres van zijn broer op, waar hij sinds 2011 stond ingeschreven. Hij gaf aan vaak elders te verblijven vanwege ruzies en dat zijn post naar het adres van zijn moeder ging. Het college wilde een huisbezoek afleggen, maar appellant was niet thuis. Daarom stuurde het college op 25 juni 2015 een brief met het verzoek contact op te nemen voor een afspraak, met de waarschuwing dat bij uitblijven van reactie de aanvraag zou worden afgewezen.
Appellant reageerde niet tijdig op deze brief. Het college wees de aanvraag op 30 juni 2015 af en vorderde het verstrekte voorschot terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat de brief op het opgegeven adres was bezorgd. Foto’s van de brief en de brievenbus, en notities van de klantmanager ondersteunden dit. Appellant had bovendien erkend niet altijd toegang tot zijn post te hebben.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij de brief niet had ontvangen, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank. Door het niet tijdig reageren had appellant niet voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het college hoefde geen hersteltermijn te bieden of een tweede huisbezoek te doen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.