ECLI:NL:CRVB:2017:3240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A. Stehouwer
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeend niet-wonen op uitkeringsadres niet gerechtvaardigd
Appellant ontving bijstand vanaf 2003 en stond sinds 2008 ingeschreven op een uitkeringsadres in Utrecht. In 2014 startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand na een melding dat de woning niet bewoond zou zijn. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, gebaseerd op laag waterverbruik, getuigenverklaringen, observaties en telefoongegevens.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De verklaringen van buurtbewoners waren onvoldoende concreet en deels gebaseerd op aannames. Het lage waterverbruik was al in 2010 onderzocht en toen niet aanleiding tot intrekking. Nieuwe feiten ontbraken om het standpunt van het college te ondersteunen.
De Raad concludeerde dat appellant wel degelijk op het uitkeringsadres woonde en dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om de intrekking en terugvordering te rechtvaardigen. Daarom werden de besluiten vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Ook de afwijzing van de langdurigheidstoeslag werd vernietigd wegens dezelfde reden. Verder werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.