Uitspraak
11 mei 2015, 14/10734 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
15 juli 2014 de ZW-uitkering op goede gronden heeft beëindigd, wordt onderschreven. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering en verrichtte tussen 2001 en 2011 twintig uur per week als financieel medewerker. Na beëindiging van deze arbeid meldde appellant zich in januari 2014 ziek vanwege psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 15 juli 2014, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV de medische situatie zorgvuldig had beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onzorgvuldig was geweest en onjuiste conclusies had getrokken, onder meer over de frequentie van therapie en de ernst van schouderklachten. Hij overhandigde verklaringen van fysiotherapeuten ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de therapieën de arbeid niet belemmerden en dat de psychische klachten geen ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid rechtvaardigden. De schouderklachten waren bekend en meegewogen, maar betroffen een lichte functie waarbij de beperkingen niet relevant waren. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd wegens geschiktheid voor de maatgevende arbeid.