ECLI:NL:CRVB:2017:320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, die sinds 2000 een WAO-uitkering ontving wegens psychische klachten en een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, werd in 2012 herbeoordeeld. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige functies aanwees die appellant kon verrichten met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het UWV beëindigde daarop de WAO-uitkering.
Appellant stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank benoemde een deskundige die bevestigde dat de beperkingen in de FML ruim voldoende rekening hielden met de belastbaarheid van appellant. Hoewel de deskundige aangaf dat een arbeidskundig advies mogelijk verstandig zou zijn, oordeelde de rechtbank dat dit niet noodzakelijk was omdat de arbeidskundige aspecten niet in geschil waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met deze opmerkingen, maar de Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad vond dat het UWV en de rechtbank terecht hadden vastgesteld dat appellant medisch geschikt was voor de geduide functies en dat de WAO-uitkering terecht was beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAO-uitkering terecht heeft beëindigd wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.