ECLI:NL:CRVB:2017:316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens ondubbelzinnige weigering arbeidsverplichtingen
De zaak betreft het hoger beroep tegen de intrekking van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland. De Raad oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat de intrekking per 1 september 2013 onterecht was gebaseerd op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Het college nam daarop een nieuw besluit waarin werd gesteld dat appellant de arbeidsverplichtingen bewust en ondubbelzinnig niet nakwam, waardoor intrekking op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, WWB gerechtvaardigd zou zijn.
De Raad onderzocht of het college terecht toepassing gaf aan deze wettelijke grondslag. Het college stelde dat appellant jarenlang diverse gedragingen vertoonde die de arbeidsverplichtingen frustreerden, waaronder het niet volgen van trajecten, weigering van algemeen geaccepteerde arbeid en het zonder toestemming aanmelden voor opleidingen. Appellant betwistte enkele feiten zonder nadere onderbouwing.
De Raad concludeerde dat uit de gedragingen van appellant ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen niet wilde nakomen. Het feit dat appellant eigen initiatieven nam zonder overleg met het college doet hieraan niet af. Volgens vaste rechtspraak is het aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening passend is. Daarom is de intrekking van de bijstand per 1 september 2013 terecht op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, WWB.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van 15 januari 2014, maar verklaarde het beroep tegen het nader besluit van 7 juli 2015 ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 september 2013 wordt bevestigd wegens ondubbelzinnige weigering van arbeidsverplichtingen.