ECLI:NL:CRVB:2017:3157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken gevraagde gegevens ondanks pandverbod
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college aangemerkt als iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, met een briefadres waar zij haar post moest ophalen. Na een incident kreeg zij een pandverbod dat haar toegang tot gemeentelijke gebouwen ontzegde en haar verplichtte contact schriftelijk of telefonisch te onderhouden.
Het college verzocht appellante om diverse gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Appellante verstrekte deze niet tijdig, waarop het college de bijstand opschortte en later introk. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, omdat appellante verwijtbaar had gehandeld door niet te zorgen voor tijdige postontvangst ondanks het pandverbod.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het pandverbod haar verhinderde haar post te ontvangen en dat het college haar ook telefonisch had kunnen benaderen. De Raad oordeelde dat appellante geen bewijs had geleverd dat zij door het pandverbod onmogelijk tijdig kennis kon nemen van het opschortingsbesluit en dat zij zelf verantwoordelijk bleef voor het onderhouden van contact met het college.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens niet tijdig verstrekken van gevraagde gegevens ondanks het pandverbod.