ECLI:NL:CRVB:2017:3109
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, waarbij een voorlopige voorziening was toegekend. De Centrale Raad van Beroep heeft onderzocht of zij bevoegd is om kennis te nemen van dit hoger beroep.
Op grond van artikel 8:84, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Artikel 104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt uitdrukkelijk dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, geen hoger beroep kan worden ingesteld.
De Raad concludeert dat zij daarom kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep dat appellant heeft ingesteld. Zonder nadere inhoudelijke beoordeling wordt het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W.F. Claessens, in aanwezigheid van griffier D.W.M. Kaldenhoven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.