ECLI:NL:CRVB:2017:2862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging ZW-uitkering wegens belastbaarheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster voor tien uur per week, meldde zich ziek met schouderklachten en later ook psychische klachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 28 oktober 2013 geen recht meer had op een WIA-uitkering omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met passende functies. Op 2 juni 2015 besloot het UWV dat appellante per 3 juni 2015 geen recht meer had op ziekengeld.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar psychische klachten en tendinitis supraspinatus onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen niet juist waren beoordeeld en dat er sprake was van een depressieve stoornis, paniekstoornis met agorafobie en zwakbegaafdheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de belastbaarheid zorgvuldig beoordeeld, inclusief schouder- en psychische klachten. Nieuwe informatie van behandelaars bood geen aanleiding het standpunt te wijzigen. Appellante was volgens de Raad geschikt voor ten minste één van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit dat appellante per 3 juni 2015 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 3 juni 2015 geen recht meer heeft op ZW-uitkering wegens voldoende belastbaarheid.