ECLI:NL:CRVB:2017:2843
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toekenning uitkering wegens geen vervolging onder Wuv
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) werd afgewezen. De afwijzing berustte op het feit dat appellant geen vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wuv, ondanks zijn onderduik om verplichte tewerkstelling te ontlopen en zijn vader te beschermen.
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat onder vervolging in de zin van de Wuv wordt verstaan vrijheidsberoving door de vijandelijke bezetter door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of vergelijkbare verblijfplaatsen. Aangezien appellant niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat hij vrijheidsberoving heeft ondergaan, kan zijn situatie niet als vervolging worden aangemerkt.
De Raad heeft voorts overwogen dat de anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wuv niet toepasbaar is om appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.