ECLI:NL:CRVB:2017:2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing woonlandfactor kinderbijslag voor kinderen woonachtig in Mali en Rwanda
Appellante, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en uitgezonden naar Mali en Rwanda, betwistte de toepassing van de woonlandfactor op haar kinderbijslag sinds 2013. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had de kinderbijslag aangepast aan het kostenniveau van het land waar de kinderen wonen, namelijk Mali en later Rwanda, op basis van artikel 12, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de Svb het beleid correct had toegepast. In hoger beroep voerde appellante aan dat de kinderen een duurzame persoonlijke band met Nederland hadden behouden, onder meer door het bezit van een huis in Nederland, Nederlandse schoolondersteuning in Mali en culturele activiteiten. Tevens betwistte zij de hoogte van de woonlandfactor voor Mali.
De Raad oordeelde dat het woonlandbeginsel inhoudt dat de hoogte van de uitkering wordt afgestemd op het kostenniveau van het land waar het kind feitelijk woont, en dat de persoonlijke band met Nederland daaraan niet afdoet. De koopkrachtpariteitscijfers van de Wereldbank zijn een geschikt middel om de woonlandfactor te bepalen. De bijzondere positie van expats en uitgezonden ambtenaren vormt geen uitzondering op het woonlandbeginsel.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De woonlandfactor van artikel 12, tweede lid, AKW is terecht toegepast op de kinderbijslag omdat de kinderen buiten Nederland wonen.