ECLI:NL:CRVB:2017:2432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsgrondslag en legaliteitsbeginsel bij rechtspositionele maatregel militair
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marine, kreeg een rechtspositionele maatregel opgelegd waarbij hij tot 1 december 2024 niet in aanmerking zou komen voor een functie in de naast hogere rang. Dit omdat hij op 16 oktober 2014 zonder toestemming een dienstvoertuig privé gebruikte en daarbij een ondergeschikte inschakelde, en bovendien onwaarheden had verteld over toestemming.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor het besluit van 27 augustus 2015 geen wettelijke bevoegdheidsgrondslag bestaat. De artikelen 17 tot en met 20 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) bieden geen basis voor een categorische weigering van functietoewijzing.
De Raad bevestigt het legaliteitsbeginsel en wijst het standpunt van de minister af dat hij alle rechtspositionele maatregelen mag treffen die nodig zijn voor het functioneren van de krijgsmacht. Wel acht de Raad het passend dat de gedragingen van appellant worden vastgelegd in een ambtsbericht conform artikel 28c AMAR. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij ook de proceskosten aan appellant worden vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot uitsluiting van appellant voor bevordering wordt vernietigd wegens gebrek aan wettelijke grondslag.