ECLI:NL:CRVB:2017:2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit toewijzing dienstauto ondanks bezwaar appellant
Appellant, werkzaam bij de NVWA in een ambulante functie, maakte gebruik van zijn privéauto voor dienstreizen en ontving daarvoor een vergoeding. Met de oprichting van de NVWA in 2012 werd een regeling ingevoerd waarbij alle ambulante medewerkers een dienstauto krijgen en het gebruik van privéauto's werd beëindigd. Een overgangsregeling maakte het mogelijk om tijdelijk privéauto te blijven gebruiken.
Appellant maakte bezwaar tegen de verplichting om uiterlijk per 7 mei 2016 over te stappen op een dienstauto, onder meer vanwege parkeerproblemen nabij zijn woning. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat geen bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat de bedenkingen van appellant niet aan een commissie hoefden te worden voorgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een onredelijke situatie, dat de afstand van 50 meter tot de parkeerplaats niet onoverkomelijk is, en dat het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat de situaties van collega’s met ontheffing niet vergelijkbaar zijn.
De Raad concludeerde dat het besluit van de minister rechtmatig is en dat er geen aanleiding is voor het toepassen van de hardheidsclausule of het toekennen van ontheffing. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toewijzing van een dienstauto wordt bevestigd.