ECLI:NL:CRVB:2017:2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen schorsing terugbetalingsperiode studiefinanciering
Appellant had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en daardoor een studieschuld opgebouwd. Hij werd meerdere malen geïnformeerd over de terugbetalingsverplichting en de schorsing daarvan. Op 2 december 2014 maakte appellant bezwaar tegen de schorsing van de terugbetalingsperiode, omdat hij stelde daar nooit om te hebben gevraagd.
De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaarperiode. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond voor zover het gericht was tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit en niet-ontvankelijk voor het overige wegens gebrek aan procesbelang.
Appellant betoogde dat de schorsing niet eerder dan in 2014 was vastgesteld en dat het besluit niet correct was bekendgemaakt, waardoor het bezwaar ontvankelijk zou zijn. De Raad oordeelde dat het besluit van 6 mei 2009 wel degelijk de schorsing betrof en dat appellant destijds geen bezwaar had gemaakt, terwijl hij voldoende gelegenheid had om informatie in te winnen.
Daarom kon niet worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding niet aan appellant was toe te rekenen. Het bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wegens openbaarmaking van privégegevens werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de schorsing van de terugbetalingsperiode wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.