ECLI:NL:CRVB:2017:2288

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2017
Publicatiedatum
4 juli 2017
Zaaknummer
16/1834 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wuv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verrekening overige inkomsten bij vaststelling Wuv-uitkering nabestaande

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin de periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) werd vastgesteld op € 0,00 bruto per maand. Dit bedrag is bepaald na verrekening van haar overige inkomsten uit onder meer een Individual Retirement Account, Social Security en vermogen.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat artikel 19 van Pro de Wuv uitdrukkelijk voorschrijft welke inkomsten op de uitkering in mindering moeten worden gebracht, namelijk in beginsel alle inkomsten. De Raad wijst appellantes betoog dat de inkomensachteruitgang door het overlijden van betrokkene tot een hogere uitkering zou moeten leiden af, omdat de wettelijke plicht tot verrekening niet kan worden genegeerd.

Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitkering blijft vastgesteld op € 0,00 bruto per maand.

Uitspraak

16/1834 WUV
Datum uitspraak: 1 juni 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] , Verenigde Staten (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 december 2015, kenmerk BZ01884341 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2017. Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.
De heer [naam betrokkene] (betrokkene) is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Op 16 februari 2015 is hij overleden. Bij besluit van 8 april 2015 is aan appellante ingaande 1 mei 2015 een periodieke uitkering toegekend als nabestaande van betrokkene. In afwachting van de door appellante in te dienen inkomensgegevens heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2015 een voorschot op de uitkering bepaald van € 0,00 bruto per maand.
1.2.
Na ontvangst van de benodigde financiële gegevens heeft verweerder bij besluit van
12 juni 2015 de periodieke uitkering vastgesteld op € 0,00 bruto per maand. Tot dit bedrag is verweerder gekomen na verrekening van de inkomsten die appellante ontvangt uit Individual Retirement Account (IRA), Social Security en het vermogen, met de uitkering die aan appellante als nabestaande kan worden toegekend. Het tegen het besluit van 12 juni 2015 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Appellante acht het niet redelijk dat haar overige inkomsten met de periodieke uitkering worden verrekend. Dit betoog treft geen doel. In artikel 19 van Pro de Wuv is uitdrukkelijk bepaald welke inkomsten op een uitkering in mindering dienen te worden gebracht. Het gaat daarbij in beginsel om alle inkomsten. Van die dwingende bepaling kan en mag verweerder niet afwijken. Dat appellante door het overlijden van betrokkene zich geconfronteerd ziet met een (aanzienlijke) inkomensachteruitgang kan niets veranderen aan de wettelijke plicht van verweerder om de overige inkomsten van appellante te verrekenen met de periodieke uitkering die aan haar als nabestaande van de vervolgde is toegekend. Ook anderszins is geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder de periodieke uitkering onjuist heeft vastgesteld.
2.2.
Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van appellante moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.
(getekend) M.T. Boerlage
(getekend) C. Moustaïne

HD