ECLI:NL:CRVB:2017:2165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder, terwijl hij samen met L, met wie hij twee kinderen had, een gezamenlijke huishouding voerde. Het college stelde vast dat L de inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden, waardoor het recht op bijstand vanaf 1 januari 2010 niet bestond.
Na diverse onderzoeken, verklaringen van betrokkenen en buurtbewoners concludeerde het college dat appellant en L hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellant. Appellant voerde onder meer aan dat verklaringen onbetrouwbaar waren en dat hij niet gehouden kon worden aan de verklaringen van L, maar dit werd verworpen.
De Raad oordeelde dat de verklaringen voldoende feitelijke grondslag boden en dat het college bevoegd was om de bijstandskosten mede van appellant terug te vorderen. Een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel slaagde niet. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.