ECLI:NL:CRVB:2017:21
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was werkzaam als telefonisch verkoopster en meldde zich in 2010 ziek. Na diverse medische beoordelingen stelde het UWV vast dat zij per 30 januari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor functies als productiemedewerker, snackbereider en machinebediende. In 2015 besloot het UWV dat zij geen recht meer had op Ziektewetuitkering omdat zij geschikt was voor ten minste één WIA-functie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren die het oordeel van de verzekeringsarts in twijfel trokken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren toegenomen en dat het UWV dit onvoldoende had onderkend.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat appellante onvoldoende medische informatie had aangeleverd om het oordeel van de verzekeringsarts te betwisten. Het eerdere rapport van verzekeringsarts Vogelsang uit 2010 betrof een andere beoordelingsvraag en was niet relevant voor de huidige beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.