ECLI:NL:CRVB:2017:2091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en intrekking bijstandsuitkering met toepassing van artikel 6:22 Awb
Appellante ontving bijstand en werd aangemerkt als alleenstaande, terwijl zij samen met S op hetzelfde adres woonde en een gezamenlijke huishouding voerde. Na onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen (DWI), waarbij onder meer bankafschriften en verzekeringsgegevens werden onderzocht, concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trok de bijstand met terugwerkende kracht in.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. Zij voerde aan dat de situatie niet wezenlijk was veranderd en dat de intrekking in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan, waaronder wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.
Hoewel het college verzuimde te vermelden dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante niet in haar belangen was geschaad. De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter met verbetering van gronden en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.