ECLI:NL:CRVB:2017:2091

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2017
Publicatiedatum
14 juni 2017
Zaaknummer
15/4905 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezamenlijke huishouding en intrekking bijstandsuitkering met toepassing van artikel 6:22 Awb

Appellante ontving bijstand en werd aangemerkt als alleenstaande, terwijl zij samen met S op hetzelfde adres woonde en een gezamenlijke huishouding voerde. Na onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen (DWI), waarbij onder meer bankafschriften en verzekeringsgegevens werden onderzocht, concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trok de bijstand met terugwerkende kracht in.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. Zij voerde aan dat de situatie niet wezenlijk was veranderd en dat de intrekking in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan, waaronder wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.

Hoewel het college verzuimde te vermelden dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante niet in haar belangen was geschaad. De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter met verbetering van gronden en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

15.4905 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2015, 15/2670 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 16 mei 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Nadat appellante was teruggekeerd vanuit Spanje is zij samen met haar oudste dochter gaan inwonen bij [naam S] (S) op de [uitkeringsadres] in [woonplaats] (uitkeringsadres). Tot en met 26 december 2013 heeft appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen en aansluitend ontving zij bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft appellante toen aangemerkt als een alleenstaande en tegelijkertijd geconstateerd dat de relatie van appellante met S trekken van een gezamenlijke huishouding vertoonde.
1.2.
Naar aanleiding van een aantal meldingen van de eigenaar van de woning aan het uitkeringsadres, dat appellante en S al drie jaar een relatie hebben en dat geen sprake is van zakelijke inwoning, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. Daartoe heeft de DWI dossieronderzoek gedaan, openbare registers geraadpleegd, appellante op 15 en 16 december 2014 gehoord en appellante gevraagd om bankafschriften van al haar rekeningen over te leggen. Uit het onderzoek komt onder meer naar voren dat appellante en S een gezamenlijke bankrekening hadden bij de ABN AMRO (en/of-rekening), waarop vanaf 12 november 2014 transacties zichtbaar zijn. Tevens hebben appellante en S begin november 2014 een gezamenlijke WA-verzekering afgesloten bij Nationale Nederlanden. De bevindingen van het onderzoek heeft DWI neergelegd in een rapport van 17 december 2014.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 30 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 12 november 2014 in te trekken op de grond dat zij vanaf 12 november 2014 een gezamenlijke huishouding voert met S in de woning op het uitkeringsadres.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij bij de toekenning van de bijstand ook al op het uitkeringsadres woonde en dat de situatie niet wezenlijk is veranderd sindsdien. De intrekking van de bijstand is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 12 november 2014, de datum met ingang van wanneer het college de bijstand heeft ingetrokken, tot en met 30 januari 2015, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).
4.2.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
4.3.
Niet in geschil is dat appellante en S gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.
4.4.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.
4.5.
De door appellante afgelegde verklaringen op 15 en 16 december 2014 en de bevindingen van de DWI bieden toereikende grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode aan het zorgcriterium is voldaan. Appellante heeft onder meer verklaard dat zij de was doet, “Alles gaat bij elkaar in de wasmand”, en dat zij kookt, “Ik kook. Als de heer [S] thuis is dan eet hij ook mee.” Weliswaar waren deze omstandigheden ook al aanwezig ten tijde van de toekenning van de bijstand aan appellante, maar in combinatie met het gegeven dat appellante en S daarna een gezamenlijke WA-verzekering hebben afgesloten en een en/of-rekening hebben geopend, van waaraf de premie voor de WA-verzekering werd betaald en in de te beoordelen periode eenmalig ook de waterrekening werd betaald, leidt dit tot een mate van financiële verstrengeling en zorg voor elkaar, die verder gaat dan wat gebruikelijk is in een zakelijke huurder-verhuurderrelatie. Het college heeft terecht op basis van deze gegevens een gezamenlijke huishouding tussen appellante en S aangenomen. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake.
4.6.
Het college heeft de bijstand van appellante met terugwerkende kracht ingetrokken. Het college heeft evenwel verzuimd aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan zij ten onrechte teveel bijstand heeft ontvangen. Nu de voorhanden gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door het afsluiten van een gezamenlijke
WA-verzekering en bankrekening met S niet aan het college te melden, is aannemelijk dat appellante niet in haar belangen is geschaad door dit gebrek. Dit betekent dat het met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd met verbetering van gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb.
5. Gelet op 4.6 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2017.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) J. Smolders
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD