ECLI:NL:CRVB:2017:198
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1938, vroeg in november 2014 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan ervaringen tijdens de Duitse bezetting, waaronder een incident waarbij Duitsers op vrouwen en kinderen inreden, een huiszoeking met schoten door de vloer, een V2-inslag en het bombardement op het Bezuidenhout.
Verweerder wees de aanvraag in april 2015 af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor erkenning vereist is dat de aanvrager persoonlijk en direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wubo. Uit de feiten blijkt onvoldoende bewijs voor directe betrokkenheid van appellant bij de genoemde gebeurtenissen.
De Raad concludeert dat de huiszoeking niet excessief geweld inhield, dat er geen bevestiging is van het incident met de Duitsers die op mensen inreden, en dat de afstand en omstandigheden rond de V2-inslag en het bombardement onvoldoende direct contact met oorlogsgeweld aantonen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarbij wordt benadrukt dat dit niet betekent dat appellant niet wordt geloofd, maar dat objectieve bevestiging en directe betrokkenheid wettelijk vereist zijn voor erkenning. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van persoonlijke en directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.