ECLI:NL:CRVB:2017:1930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autovermogen en maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellant ontving sinds januari 2014 bijstand op grond van de WWB. Een onderzoek naar aanleiding van een signaal over meerdere kentekens op zijn naam bracht aan het licht dat zes auto's op zijn naam stonden geregistreerd. Het college trok daarop het recht op bijstand in en vorderde de kosten terug. Appellant stelde dat de auto's niet tot zijn vermogen behoorden omdat deze in het kader van een echtscheiding op zijn naam waren gezet en hij er niet over kon beschikken.
De Raad oordeelde dat het registreren van kentekens op naam van appellant de veronderstelling rechtvaardigt dat de auto's tot zijn vermogen behoren, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit niet zo is. Appellant slaagde hier niet in. Ook het feit dat de vader van appellant de kosten betaalde, deed hieraan niet af. De inlichtingenverplichting was geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en intrekking gerechtvaardigd was.
Daarnaast legde het college een maatregel op wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid omdat appellant de auto's zonder tegenprestatie aan derden had overgedragen, waardoor zijn vermogen was verlaagd en hij vervroegd bijstand nodig had. De rechtbank had beide besluiten bevestigd en de Raad bevestigde deze uitspraken in hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.