ECLI:NL:CRVB:2017:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellant, werkzaam als vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met rugklachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen van het UWV werd hij per 13 maart 2013 hersteld verklaard en het recht op ziekengeld ingetrokken. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de klachten niet objectief medisch waren vast te stellen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat ook schouder- en polsklachten zijn werk belemmerden en dat relevante medische informatie, waaronder MRI-scans, niet voldoende was beoordeeld.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij deskundige interpretatie van MRI-scans door radiologen was betrokken. De verzekeringsarts had gemotiveerd geconcludeerd dat de rugklachten appellant niet beperkten in zijn werk op de datum in geding. Ook de polsklachten werden erkend maar vormden geen belemmering voor het werk.
De Raad bevestigde dat het recht op ziekengeld per 13 maart 2013 terecht was beëindigd en dat latere ziekengelduitkeringen geen invloed hadden op de beoordeling van de situatie op die datum. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant op 13 maart 2013 geen recht had op ziekengeld wegens onvoldoende medische beperkingen.