ECLI:NL:CRVB:2017:1864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.C.W. Lange
- B.M. van Dun
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een loongerelateerde WGA-uitkering van oktober 2012 tot april 2014. Het UWV stelde vast dat haar uitkering per 11 april 2014 eindigde omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in maart 2014 en een latere melding in juli 2014, voerde het UWV medisch en arbeidskundig onderzoek uit. De onderzoeken concludeerden dat haar belastbaarheid niet was gewijzigd ten opzichte van april 2014.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht had op een nieuwe WIA-uitkering. Tijdens de bezwaarprocedure werd zij door een verzekeringsarts gehoord en ook een arbeidsdeskundige beoordeelde haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig was en overhandigde zij aanvullende medische stukken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stukken betrekking hadden op een periode na de datum in geschil en geen nieuwe relevante informatie bevatten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het besluit van het UWV, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.