ECLI:NL:CRVB:2017:1534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen brief over octrooirechten en Uitvindersregeling
Appellante, voormalig werkzaam bij een medisch centrum en betrokken bij een octrooirecht geregistreerd op naam van de Universiteit, voerde een geschil over de toepassing van de Uitvindersregeling. Na diverse correspondentie en een arbeidsconflict met haar voormalige werkgever, richtte zij zich tot het college van bestuur van de Universiteit met vragen over vermeende frauduleuze constructies.
Het college reageerde bij brief van 30 oktober 2014 dat niet verder inhoudelijk zou worden gereageerd vanwege ongepaste uitlatingen en omdat de Uitvindersregeling alleen geldt voor medewerkers van de Universiteit, waarvan appellante geen werknemer was. Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard door het college en de rechtbank, omdat de brief geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De brief bevatte slechts feitelijke mededelingen en was niet gericht op rechtsgevolg. Ook het argument dat appellante niet bekend was met eerdere brieven gericht aan haar echtgenoot, die haar belangen behartigde, leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 30 oktober 2014 wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen besluit is in de zin van de Awb.