Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2017
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
16/6302 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 69, tweede lid, ZvwVerordening (EG) nr. 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen betalingsherinnering buitenlandbijdrage Zvw

Appellant, woonachtig in Duitsland en ontvanger van een pensioen, was door het CAK als verdragsgerechtigde aangemerkt en werd een buitenlandbijdrage opgelegd op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Na vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2013 stuurde het CAK een betalingsherinnering aan appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze herinnering, maar dit bezwaar werd door het CAK niet-ontvankelijk verklaard omdat de herinnering geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij bereid was te betalen mits het bedrag duidelijk en correct was en verzocht de Raad het bezwaar alsnog in behandeling te nemen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de betalingsherinnering geen besluit is en niet gericht is op rechtsgevolg. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het hoger beroep verworpen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de betalingsherinnering is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

16.6302 ZVW

Datum uitspraak: 19 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2016, 16/1768 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze, gelet op de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK (Stb. 2016, 173), de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellant is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Duitsland en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP.
1.2.
CAK heeft appellant vanaf 20 januari 2011 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 recht heeft op zorg in zijn woonland (Duitsland) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage).
1.3.
Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft CAK de buitenlandbijdrage over 2013 definitief vastgesteld op € 6.249,92 (voor verrekening van inhouding tot een bedrag van € 5.803,12 en een teruggave van € 942,09). Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Op 11 december 2015 heeft CAK naar aanleiding van het onder 1.3 genoemde besluit aan appellant een betalingsherinnering toegestuurd. Hierbij is appellant verzocht om binnen veertien dagen het openstaande bedrag van € 1.433,89 te betalen.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2016 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen de betalingsherinnering van 11 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat de betalingsherinnering geen wijziging in zijn rechtspositie met zich mee brengt en dus geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat CAK terecht heeft geoordeeld dat tegen de brief van 11 december 2015 geen bezwaar kan worden gemaakt, omdat de betalingsherinnering geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3. Appellant heeft in hoger aangevoerd dat hij wel wil betalen mits het bedrag duidelijk en correct is. Met een beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft appellant de Raad verzocht te bepalen dat CAK zijn bezwaar alsnog in behandeling neemt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank dat de brief van 11 december 2015 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onderschreven. Deze brief is terecht aangemerkt als betalingsherinnering en is niet gericht op rechtsgevolg. De Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 4.1 van zijn uitspraak van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3883).
4.2.
Uit wat is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) I.G.A.H. Toma

KP