Uitspraak
12 mei 2016, 15/8938 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2006 in dienst bij een instituut van de Universiteit Leiden, waarvan zij de enige werknemer was. Haar tijdelijke aanstelling werd in 2009 omgezet in een vast dienstverband, met de kanttekening dat beëindiging van financiering tot opheffing van haar functie kon leiden.
In 2011 werd haar functie opgeheven wegens het wegvallen van financiële middelen en werd zij als herplaatsingskandidaat aangemerkt. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en een herplaatsingsonderzoek verleende het college van bestuur in 2015 ontslag wegens opheffing van haar functie, met een ingangsdatum in november 2015.
Appellante stelde dat haar ontslag onrechtmatig was omdat het onderdeel was van een reorganisatie die haar een ontslagbeschermingstermijn van tien maanden zou geven op grond van de CAO Nederlandse Universiteiten. De Raad oordeelde echter dat het instituut met slechts één werknemer een marginale positie innam en dat de opheffing geen reorganisatie betrof die betrekking had op een belangrijk onderdeel van de universiteit met ingrijpende gevolgen voor meerdere werknemers.
Daarom was de kortere ontslagbeschermingstermijn van drie maanden van toepassing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag wegens opheffing van de functie wordt bevestigd zonder toepassing van de langere ontslagbeschermingstermijn.