ECLI:NL:CRVB:2017:1381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering vergoeding huishoudelijke hulp krachtens AOR bij gelijktijdige Wubo-uitkering
Betrokkene ontving vergoedingen voor huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder besloot tot terugvordering van €6.314,18 aan AOR-vergoedingen over de periode van 1 juni 2011 tot 1 september 2014, omdat betrokkene over diezelfde periode ook vergoedingen voor huishoudelijke hulp ontving krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. Na het overlijden van betrokkene hebben de erven het beroep voortgezet. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat volgens het beleid een vergoeding voor huishoudelijke hulp krachtens de Wubo voorrang heeft boven een vergoeding krachtens de AOR, waardoor de AOR-vergoeding niet betaald mag worden indien ook een Wubo-vergoeding is toegekend.
De Raad verwierp het verweer dat het controleformulier onduidelijk was en dat vergoedingen krachtens de Wubo niet vermeld hoefden te worden. Ook het beroep op beleidsregels dat niet verantwoord hoeft te worden dat daadwerkelijk huishoudelijke hulp wordt genoten, faalde omdat deze regels niet van toepassing zijn in het kader van de AOR en de terugvordering niet primair is gebaseerd op het niet verantwoorden van huishoudelijke hulp.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van AOR-vergoedingen wordt ongegrond verklaard.