ECLI:NL:CRVB:2017:1338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
7 april 2017
Zaaknummer
16/3207 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AOWArt. 17 AOWArt. 7a AOWRegeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging partnertoeslag AOW na bereiken pensioengerechtigde leeftijd partner

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om de aan hem toegekende partnertoeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te beëindigen per 1 oktober 2015, omdat zijn partner op die datum de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld waarbij appellant niet is verschenen. De Raad heeft overwogen dat op grond van artikel 8, vierde lid, van de AOW de toeslag onderdeel is van het ouderdomspensioen en dat volgens artikel 17, eerste lid, van de AOW het pensioen wordt ingetrokken zodra de gerechtigde er niet meer voor in aanmerking komt. De Regeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen bepaalt dat de intrekking van de toeslag plaatsvindt op de dag dat de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

De pensioengerechtigde leeftijd in 2015 was vastgesteld op 65 jaar en drie maanden. Omdat niet in geschil is dat de partner van appellant op 1 oktober 2015 deze leeftijd bereikte, is de beëindiging van de toeslag per die datum terecht. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De partnertoeslag AOW is terecht beëindigd per 1 oktober 2015 omdat de partner van appellant de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 maart 2016, 15/6549 (aangevallen uitspraak),
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 7 april 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de Svb appellant medegedeeld dat de aan hem toegekende partnertoeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van
1 oktober 2015 wordt beëindigd, omdat de partner van appellant op die datum de
AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
1.2.
Bij het bestreden besluit van 17 september 2015 is het bezwaar tegen het besluit van
25 juni 2015 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven over de beëindiging van de toeslag per 1 oktober 2015.
4.2.
Op grond van artikel 8, vierde lid, van de AOW dient onder het in de AOW en in de tot haar uitvoering genomen besluiten genoemde ouderdomspensioen mede te worden verstaan de toeslag, voor zover niet anders is bepaald.
4.3.
Artikel 17, eerste lid, van de AOW, voor zover hier van belang, bepaalt dat het
AOW-pensioen door de Svb wordt ingetrokken, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt. Ingevolge het achtste lid kunnen ter uitvoering van dit artikel bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven.
4.4.
In artikel 1 van Pro de Regeling nadere regels inzake intrekking en herziening van het ouderdomspensioen is bepaald dat de intrekking van de aan de pensioengerechtigde toegekende toeslag plaatsvindt met ingang van de dag waarop de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW, heeft bereikt.
4.5.
Op grond van artikel 7a, eerste lid, onder d, van de AOW, is de pensioengerechtigde leeftijd in 2015 bepaald op 65 jaar en drie maanden.
4.6.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de partner van appellant op 1 oktober 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft de Svb terecht de toeslag per voornoemde datum beëindigd. De wettelijke bepaling van artikel 7a van de AOW is dwingendrechtelijk van aard, hetgeen betekent dat de Svb geen mogelijkheid wordt geboden door toepassing van beleid daarvan af te wijken.
4.7.
Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2017.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) J.W.L. van der Loo

KP