ECLI:NL:CRVB:2017:1301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldige WIA-beoordeling bevestigd
Appellant was sinds 1 juni 2010 ziek gemeld en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na een beoordeling door het UWV bleek hij per 29 mei 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt en geschikt voor bepaalde functies, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Na een nieuwe ziekmelding in juni 2014 stelde het UWV op 7 oktober 2014 het einde van het ziekengeld vast, omdat appellant geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies.
Appellant voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege een ernstige depressie, bijwerkingen van medicatie en lichamelijke klachten zoals vaatproblemen en een hernia. Hij overwoog ook beperkingen door gehooraandoeningen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De verzekeringsarts had het dossier grondig bestudeerd, appellant onderzocht en relevante informatie meegewogen. De psychische klachten werden niet onderschat; cognitieve beperkingen ontbraken en negatieve coping werd onderscheiden van ziekte. Medicatiegebruik gaf geen aanleiding tot beperkingen. Lichamelijke klachten waren chronisch maar niet zodanig dat ze tot meer beperkingen leidden dan aangenomen. Ook de gehoorproblemen waren niet zodanig dat beperkingen gerechtvaardigd waren.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor ten minste één functie. Er was geen aanleiding een deskundige te benoemen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellant geschikt is voor functies binnen de WIA-beoordeling.