ECLI:NL:CRVB:2017:1281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende medische grondslag
Appellant, werkzaam als chauffeur en kabeltrekker, meldde zich ziek wegens rugpijn. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat hij geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid. Het UWV besloot daarop het recht op ziekengeld te beëindigen, wat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende was en het oordeel van de verzekeringsarts juist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen uitgebreid lichamelijk onderzoek was verricht en dat zijn medicatiegebruik hem belemmerde om te rijden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. Uit het medisch dossier bleek dat appellant chronische rugklachten heeft, maar zijn functie was rugsparend en licht qua fysieke belasting. De verzekeringsarts stelde dat het medicatiegebruik geen invloed heeft op zijn rijvaardigheid en dat er geen ernstige psychische klachten waren die zijn arbeid belemmeren.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.