ECLI:NL:CRVB:2017:1277

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
5 april 2017
Zaaknummer
15/6999 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor hypotheeklasten wegens eigen keuze appellant

Appellant, die bijstand ontving op grond van de WWB, vroeg bijzondere bijstand aan voor zijn hypotheeklasten. Na eerdere afwijzingen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, werd het bezwaar van appellant eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam wees het beroep af en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet kunnen worden voldaan uit andere middelen. Uit de stukken bleek dat appellant de woning samen met zijn toenmalige partner had gekocht, zij waren gescheiden en appellant had de woonlasten volledig op zich genomen zonder verkoop of verhuur te hebben geprobeerd.

De Raad concludeerde dat de hoge woonkosten het gevolg zijn van eigen keuzes van appellant, zoals het niet verkopen van de woning en het niet zoeken naar alternatieve oplossingen. Hierdoor zijn deze kosten niet noodzakelijk in de zin van de WWB. Ook het argument dat de hypotheeklasten onder de huurgrens liggen werd verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor hypotheeklasten bevestigd.

Uitspraak

15/6999 WWB
Datum uitspraak: 4 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2015, 14/9128 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 februari 2017. Partijen zijn niet verschenen, het college met voorafgaand bericht.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij bewoonde een woning die zijn eigendom was en die was belast met een hypotheek.
1.2.
Op 5 maart 2014 heeft appellant bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag) op grond van de WWB aangevraagd om de hypotheekkosten te kunnen betalen. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 9 mei 2014 afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen had verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.
1.3.
Op 1 september 2014 heeft appellant opnieuw woonkostentoeslag aangevraagd. In dit verband heeft hij gewezen op een schuld van € 6.064,62. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 12 november 2014 afgewezen op de grond dat zich na de eerdere afwijzing van
9 mei 2014 geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.
1.4.
Bij besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van
12 november 2014, na bezwaar daartegen van appellant, gehandhaafd. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat de hoge woonkosten voor rekening van appellant dienen te blijven, omdat die kosten voortvloeien uit een eigen keuze van appellant. De vergoeding voor deze kosten vanuit de bijzondere bijstand is daarom niet noodzakelijk.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand vraagt noodzakelijk zijn, omdat die kosten na de echtscheiding voor zijn rekening kwamen en het hem niet lukte om de woning te verkopen. Verder heeft hij aangevoerd dat zijn hypotheeklasten onder de huurgrens voor een sociale huurwoning liggen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3.
In geschil is of de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd dienen te worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. In dit verband is het volgende van betekenis.
4.4.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant de woning in 2003 met zijn toenmalige partner heeft gekocht, dat zij in 2010 uit elkaar zijn gegaan en in 2011 zijn gescheiden. Verder komt daaruit naar voren dat appellant tot 2 januari 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft ontvangen en op 27 januari 2014 bijstand heeft aangevraagd. Niet in geschil is dat appellant op het moment van de aanvraag om woonkostentoeslag al geruime tijd niet meer in staat was om de woonlasten te betalen, maar niettemin in de woning is blijven wonen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat (executie)verkoop van de woning in de periode voor de aanvraag niet mogelijk was. Voor zover appellant hiervoor niet heeft gekozen met het oog op een eventuele restschuld komen de gevolgen van die keuze voor zijn rekening. Voorts is niet gebleken dat appellant naar andere oplossingen heeft gezocht om de woonlasten te verlagen, zoals het verhuren van de woning. Evenmin is in geschil dat appellant alle woonlasten op zich heeft genomen, ondanks het feit dat ook zijn voormalige partner voor die kosten aansprakelijk is. Ook de gevolgen van deze keuze dienen voor zijn rekening te komen en kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand.
4.5.
Gelet op 4.4 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de hoge woonkosten voortvloeien uit eigen keuzen van appellant en dat daarom geen sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat de aanvraag slechts ziet op een korte periode, omdat de woning van appellant door middel van een executieverkoop in maart 2016 zou worden verkocht, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet afdoet aan het voorgaande.
4.6.
Wat in 4.4 en 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat de beroepsgrond dat de rechtbank de hypotheeklasten ten onrechte als niet-noodzakelijke kosten heeft aangemerkt niet slaagt.
4.7.
De beroepsgrond dat de hypotheeklasten onder de huurgrens voor een sociale huurwoning liggen slaagt evenmin, reeds omdat appellant niet duidelijk heeft gemaakt welke woonkosten voor zijn rekening komen.
4.8.
Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2017.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ