ECLI:NL:CRVB:2017:1068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op nabestaandenuitkering ANW bij onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant diende een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van zijn echtgenote op 1 juli 2012. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat appellant niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voerde medisch en arbeidskundig onderzoek uit en concludeerde dat appellant geschikt was voor diverse functies.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, waaronder een paniekstoornis met agorafobie, artrose en concentratieproblemen, onvoldoende waren meegewogen en dat een verdere urenbeperking noodzakelijk was. De Raad onderzocht de medische dossiers en rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die concludeerden dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij de functies niet kon vervullen.
De Raad stelde vast dat er geen objectiveerbare medische gegevens waren die aantoonden dat appellant ten tijde van het overlijden reeds psychische klachten had. De verslechtering van zijn toestand vond pas na die datum plaats. De aangevallen uitspraak van de rechtbank, die het bezwaar van appellant ongegrond verklaarde, werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een andere beoordeling of toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op nabestaandenuitkering omdat hij ten tijde van het overlijden niet minimaal 45% arbeidsongeschikt was.