ECLI:NL:CRVB:2017:1053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterechte intrekking van bijstand wegens weigering huisbezoek zonder redelijke grond
Appellant ontvangt sinds 2002 bijstand en staat ingeschreven op een adres in Amsterdam. Het college probeerde in 2014 en 2015 meerdere keren onaangekondigd huisbezoeken af te leggen, waarbij appellant niet thuis werd aangetroffen. Na een gesprek op 24 augustus 2015 weigerde appellant medewerking aan een aansluitend huisbezoek vanwege het ophalen van zijn kind. Het college trok daarop de bijstand met ingang van 23 juli 2015 in en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek aansluitend aan het gesprek, mede omdat eerdere pogingen tot huisbezoek maanden eerder plaatsvonden en tijdens het gesprek geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan de woonsituatie naar voren kwamen.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraken van de rechtbank, herroept de besluiten tot intrekking en afwijzing van de aanvraag bijstand, en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens weigering van medewerking aan een huisbezoek zonder redelijke grond wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.