Uitspraak
16 juni 2015, 14/6259 en 14/6260 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, gehuwd sinds 1990 en met vier kinderen, ontvingen bijstand sinds 2003 op grond van de WWB. Na een anonieme melding dat zij samenwoonden, voerde de sociale recherche een onderzoek uit met waarnemingen, getuigenverklaringen en verhoren. Het dagelijks bestuur trok de bijstand van appellante in en vorderde terugbetaling van de verstrekte bijstand, mede van appellant.
De rechtbank vernietigde deze besluiten omdat het criterium van gezamenlijke huishouding onjuist was toegepast, maar liet de rechtsgevolgen van de besluiten in stand. Appellanten gingen in hoger beroep tegen dit laatste. Zij voerden onder meer aan dat de waarnemingen een onrechtmatige inbreuk op hun privacy vormden en dat de verklaringen van appellante niet vrij waren afgelegd.
De Raad oordeelde dat appellanten in de periode van 1 maart 2012 tot 1 juni 2013 niet duurzaam gescheiden leefden, mede op basis van de verklaringen van appellante die zij niet kon ontkrachten. De overige bezwaren faalden omdat de verklaringen voldoende feitelijke grondslag boden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven bevestigd.