ECLI:NL:CRVB:2016:994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering partnertoeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht
Appellante, geboren in 1942, woont samen met haar zus. Op grond van de AOW werd haar vanaf maart 2007 een ouderdomspensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde, zonder partnertoeslag vanwege de inkomsten van haar zus. Vanaf februari 2014 kreeg ook haar zus een ouderdomspensioen naar gehuwdennorm.
In februari 2014 vroeg appellante om een partnertoeslag over de periode november 2008 tot en met januari 2014, omdat haar zus weinig of geen inkomsten had. De Sociale Verzekeringsbank kende een toeslag toe over februari 2013 tot en met januari 2014, maar niet voor de periode daarvoor. Appellante maakte bezwaar tegen deze beperkte terugwerkende kracht, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de weigering een onevenredig zware sanctie vormde, mede vanwege haar gezondheidsproblemen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, AOW. De weigering is geen punitieve sanctie, zodat een evenredigheidstoets niet aan de orde is.
De Raad benadrukte dat de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van partnertoeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht wordt bevestigd.