ECLI:NL:CRVB:2016:984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid ondanks klachten
Appellante was werkzaam als medewerker post sorteren en meldde zich ziek wegens gewrichtsklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat zij vanaf 17 oktober 2013 in staat was haar arbeid te verrichten. Het UWV beëindigde daarop haar Ziektewet-uitkering, wat appellante betwistte via bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat appellante ondanks haar klachten arbeidsgeschikt was. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, met name ten aanzien van haar psychische klachten, en dat haar belastbaarheid werd overschat.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de verzekeringsarts. De Raad stelde vast dat de arts appellante had gezien, het dossier had bestudeerd en informatie van de behandelend sector had betrokken. De diagnose fibromyalgie en de niet-erkende CTS werden meegewogen, evenals de PTSS-klachten, zonder dat dit de arbeidsgeschiktheid beïnvloedde.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om af te wijken van het oordeel dat appellante medisch gezien in staat was haar werk te verrichten en bevestigde de beëindiging van de Ziektewet-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante wordt beëindigd omdat zij medisch gezien in staat is haar arbeid te verrichten.