ECLI:NL:CRVB:2016:955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- J.J.T. van den Corput
- W. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie en plichtsverzuim bij Universiteit Utrecht
Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de Universiteit Utrecht en werd in 2013 ontslagen wegens plichtsverzuim. Het college stelde dat appellant vanaf februari 2013 zonder geldige reden niet meewerkte aan zijn re-integratie en geen gehoor gaf aan een dienstopdracht om op bepaalde dagen aanwezig en bereikbaar te zijn.
De rechtbank vernietigde het besluit tot stopzetting van bezoldiging per 22 april 2013 vanwege onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid, maar verklaarde het beroep tegen het strafontslag ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste oordeel.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim zich niet beperkte tot het niet verschijnen op een gesprek op 22 april 2013, maar ook het weigeren van medewerking aan re-integratie en het niet opvolgen van de dienstopdracht omvatte. Uit het dossier bleek een moeizame relatie met de leidinggevende en herhaalde waarschuwingen aan appellant. Het college kon redelijk aannemen dat appellant onvoldoende meewerkte.
Appellant had wisselende verklaringen over verlofaanvragen en was niet bereikbaar op de dagen van de dienstopdracht, wat hem werd aangerekend. De Raad vond het ontslag niet onevenredig gelet op de ernst van het plichtsverzuim en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.