Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante werd aangemeld voor een belastbaarheidsonderzoek en moest meewerken aan een re-integratietraject bij WNK Re-integratie. Op de eerste werkdag meldde zij zich ziek, maar de bedrijfsarts stelde vast dat zij arbeidsgeschikt was voor lichte werkzaamheden. Appellante verscheen vervolgens zonder bericht niet op het startgesprek van haar werkzaamheden, waarna het college de bijstand met 100% voor één maand verlaagde.
Daarnaast beëindigde het college de bijstand omdat appellanten langer dan de toegestane vier weken per kalenderjaar in het buitenland verbleven. Het bezwaar tegen deze besluiten werd ongegrond verklaard door het college en bevestigd door de rechtbank Noord-Holland.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat appellante ziek was en dat het verblijf in het buitenland was gemeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellanten geen nieuwe gronden hadden aangevoerd en dat het oordeel van de rechtbank, gebaseerd op de medische beoordeling van de bedrijfsarts, standhield. Er was geen medische informatie overgelegd die het oordeel dat appellante arbeidsgeschikt was, zou weerleggen.
De Raad bevestigde daarom de verlaging en beëindiging van de bijstand en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Y.J. Klik op 15 maart 2016.
Uitkomst: De verlaging en beëindiging van de bijstand werden bevestigd wegens niet verschijnen bij het startgesprek en langer verblijf in het buitenland.